De jeugdwerkloosheid stijgt

Het land is weer grotendeels dicht, maar de kinderen gaan wél naar school. Dat was dinsdag de boodschap van het kabinet toen de nieuwste maatregelen tegen het coronavirus werden aangekondigd. Hoewel daar enige tegenstrijdigheid in zit – scholen zijn ook besmettingshaarden – is de reden voor deze uitzondering begrijpelijk.
 
De lockdown voor de zomervakantie heeft ontegenzeggelijk al gezorgd voor een leerachterstand, en voorkomen moet worden dat een hele generatie kinderen en jongeren een ‘verloren jaar’ oploopt. Nog afgezien van de problemen die kinderen thuis opleveren voor hun ouders. Hun uithoudingsvermogen is eindig, en zij moeten ook werken.
 
In die zin is de uitzondering voor het onderwijs even goed een voorbeeld van een uitruil tussen gezondheid en (toekomstige) welvaart. Al moet nog bezien worden óf en hoe lang het virus op scholen beheersbaar blijft.
 
Maar er is nóg een jeugdprobleem, dat te weinig aandacht dreigt te krijgen. In februari en maart van dit jaar daalde de jeugdwerkloosheid, door het Centraal Bureau voor de Statistiek gemeten in de leeftijdscategorie van 15 tot 25 jaar, tot 6,3 procent. Zo laag is die in ieder geval sinds 2002 nog nooit geweest.
 
Het virus en de lockdown hebben sindsdien flink huisgehouden. Nooit steeg de jeugdwerkloosheid zo snel als sindsdien – sneller ook dan de algemene werkloosheid en sneller dan na de financiële crisis van 2008. Nu al is het jeugdwerkloosheidspercentage, over september, 11,3. Mocht de algemene werkloosheid in Nederland stijgen naar 6 procent volgend jaar – zeker niet ondenkbaar – dan gaat het recente jeugdwerkloosheidsrecord van 13,9 procent uit september 2013 aan diggelen.
 
Nu zijn er tal van manieren om jeugdwerkloosheid te meten, maar alle cijfers zullen zo’n beetje deze trend laten zien. En dat is nog afgezien van jonge zzp’ers die weer anders in de statistieken opduiken.
 
Niet alleen onder scholieren en studenten dreigt dus een verloren jonge generatie. De noodzakelijke ervaring wordt niet opgedaan, het is lastig om een start te maken in de samenleving.
 
Straks staat er weer een nieuw cohort te trappelen om de arbeidsmarkt te betreden. Bekend is dat een lager startsalaris bij het begin van de arbeidsloopbaan vaak leidt tot een lager salaris later: de achterstand wordt vaak niet meer goedgemaakt.
 

De International Labour Organisation waarschuwt al voor een lockdowngeneratie op de arbeidsmarkt. „Jongeren lopen onderwijs en training mis, verliezen werk en inkomen en krijgen meer moeilijkheden om weer een baan te vinden.”

 
En dan is Nederland nog niet eens het grootste probleem. Elders in Europa hebben jongeren het nog veel zwaarder. De jeugdwerkloosheid in de EU piekte op 24,4 procent in 2013, daalde naar iets onder de 15 procent vlak voor de coronacrisis, maar klom aan het eind van de zomer alweer naar de 18 procent. In een land als Spanje, achtereenvolgens getroffen door de Lehmancrisis, eurocrisis én coronacrisis, is nu bijna 42 procent van alle jongeren werkloos. Laat dat even bezinken.
 
Intussen lopen de overheidsschulden overal sterk op tot een mondiaal naoorlogs record. Prima, om de economie met alle mogelijke middelen te redden en te herstarten. Maar raad eens wie die staatsschuld in de toekomst moeten gaan aflossen? De Britse krant The Guardian schreef vorige week dat de jeugdwerkloosheid in het Verenigd Koninkrijk kan verdrievoudigen tot het niveau van begin jaren tachtig.

 

Bron: NRC.nl